geloof. rechtvaardigheid. toekomst.

23 januari 2018

Een pelgrimage naar het hart van religie

Heilige onrust van de Groningse hoogleraar ethiek Frits de Lange. Hierin onderzoekt de – van huis uit gereformeerde – theoloog wat ‘geloven zonder religie’ behelst als je afscheid hebt genomen van een bovennatuurlijke werkelijkheid en je kiest voor dit leven. De Lange identificeert zich in zijn boek met moderne pelgrims, die binnenkort en masse weer op pad gaan.

Voor de moderne pelgrim is niet Santiago of het hiernamaals de bestemming, maar de spirituele en fysieke ervaring van de pelgrimage zelf. Frits de Lange herkent zich in die pelgrims, voor wie geloof overgave aan dit leven is, zonder religieus vangnet. Hij breekt dan wel met de traditionele dogma’s van het christelijk geloof, maar kan zich ook niet volledig identificeren met seculiere zingeving: ‘Mijn religieuze hart wordt er weinig door beroerd. Als het van oudsher in de religie gaat om liefde en overgave, passie en pijn, hoop en onvervuld verlangen, dan is denken alleen niet genoeg.’

Over de auteur

De Lange wil dat denken voorbij en gaat hiervoor in Heilige onrust terug naar de prille oorsprong van religie, die  verbonden is met fysieke beweging, dansen en pelgrimeren. Hij laat zich inspireren door theologen als Augustinus en Bonhoeffer, filosofen als Nietzsche en Derrida, en schrijvers als Sándor Márai en Leonard Cohen.

  • ISBN: 9789025905545
  • Uitgeverij: Ten Have
  • Uitvoering: Paperback
  • Omvang: 176 pagina’s
  • € 17,99
Bestel nu >

reacties (1)

  • Gied ten Berge schreef:

    Dorothee Solle heeft in Mystiek en Verzet ook tamelijk fundamentele kritiek uitgeoefend op het fenomeen van seculiere pelgrim die vooral opgaat in ‘selfactualisation’. Bij zijn afwegingen introduceert De Lange de hindoe filosoof Jarava Lal Mehta (1912-1988), bij wie hij bevestiging vindt voor zijn christelijke ambivalenties ten aanzien van de tegenwoordige Westerse pelgrim.

    De Lange laat zich aanspreken door Mehta’s kritiek, dat de niet-westerse hindoe pelgrimage niet bedoelt is als ‘zalf voor de ziel’, maar juist als een activiteit, waarin ‘het ongemak’ moet worden doorstaan en waarin de pelgrim beproefd wordt op zijn capaciteiten in betrekking tot lastige relaties met anderen om die ook in zijn dagelijkse bestaan het hoofd te bieden. Mehta kiest voor de pelgrimage als harde leerschool en oefende daarbij ook kritiek uit op de Westerse perceptie van het pelgrimsfenomeen grenservaringen, met name op de zogenaamde ‘liminality’ (Van Gennep). Voor hem te hoog gegrepen. Mehta’s kritiek kan ook de antropoloog Erik Cohen gelden die een archetypisch beeld ontwikkelde van de pelgrim die linea directa door ‘de chaos’ op weg is naar de ‘sacra’ (een heilige plek), omdat Mehta vond dat met de hindoepelgrimage – de zogeheten ‘tirtha’ – helemaal geen ‘heilig centrum’ kan worden bereikt, maar ook niet ‘het zelf’ van de postmodernen – opgevat als een nieuw, semi-sacraal doel, los gezongen van eigen tradities en bestaande religieuze rolpatronen. ‘Tirtha’ betekent letterlijk ‘brug’ en is de hindoe metafoor voor het ultieme samenleven met anderen, ook als dat een pijnlijke, schokkende en verwarrende opgave is, en waar de pelgrimage helemaal geen ontsnapping voor biedt, maar waarbij die opgave in tegendeel wordt verhevigd; het gaat erbij om…

    ‘…risico’s nemen, geconfronteerd worden met je eigen beperkingen en onvermogen, heen en weer geslingerd worden tussen angst en vrees, ontberingen ondergaan, onneembaar lijkende obstakels tegenkomen.’

    Van dit proces is ‘persoonlijke rijping’ of ‘verrijking’ ook niet het doel, het resulteert niet zelden in ‘een hachelijke, angstige en een soms pijnlijke verlieservaring’. Maar om in respect en begrip met elkaar te leren samen te leven, vormt dat juist wel de inzet van deze pelgrimage.
    Thomas Ellis die over het werk van Mehta een boek studie schreef, waarschuwt er voor dat Mehta’s vergelijking van het westerse pelgrimsbeeld met dat van de hindoe cultuur, vertrekt vanuit zijn eigen radicale, post-koloniale, filosofisch positie, die kritisch is op alles wat neigt naar wat in zijn ogen naar westerse decadentie neigt, zoals het ‘postmoderne’ seculiere pelgrimeren. Mehta gaf geen handvaten voor een ‘universeel’ alternatief pelgrimeren, waar ‘pelgrims met een missie’ (waar ik zelf onderzoek naar doe) vandaag hun voordeel mee zouden kunnen doen. Hij was vooral gefocust op zijn eigen particuliere pelgrimsbegrip, .zij het wel reagerend op een aantal theologen en filosofen van het Westen (Augustinus, Heidegger, Gadamer enz.). Niet het willen verrijken van het ‘zelf’, maar veeleer de bereidheid tot de volkomen ontlediging van dat ‘zelf’ vormt zijn inzet in deze confrontatie. Pelgrimeren is voor Mehta het ‘omhelzen van die onzekerheid’ en wil in die zin iconoclastisch zijn, en is misschien nog het meest vergelijkbaar met de christelijke kenosis, wat ook een veel radicaler fenomeen is dat het softe therapeutische ‘loslaten’ waar alle zelfhulpboeken van overlopen. Mehta’s pelgrim oefent zich veelmeer in de kunst van het vasthouden, ook als alles in je er tegen verzet. Ik moet denken aan ontmoetingen van pelgrims in het vroege christendom met de Woestijnvaders die ook een vorm van kenosis nastreefden. In Mehta’s wereldbeeld volgt de pelgrim geen Coelho achtige queeste en is de pelgrim ertoe veroordeeld om altijd ‘het centrum’ heen te moeten blijven draaien. Maar dat lijkt me interessant: dat onderscheidt hem van Sölle, voor wie de ‘sacra’ ook niet tastbaar en lokaliseerbaar zijn, en evenmin vindbaar in illusoire, bedrieglijke ‘zelf’, maar die toch niet om ‘de leegte’ bleef heen cirkelen, juist omdat voor haar de Godsontmoeting een wel degelijk vervuld, geïncarneerd geheim is, waarin die ontmoeting ten principale via de Ander loopt.
    ‘Ich und Du’ zou Buber zeggen, of denk aan Levinas’ ‘alteriteit’.

geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *