geloof. rechtvaardigheid. toekomst.

17 mei 2018

De schaamte voorbij

We zitten volop in de lente, de letterlijke en metaforische tijd van de bloemetjes en bijtjes. In de (vroege) zomer hebben we namelijk, volgens Amerikaans onderzoek, officieel meer zin in seks. Of, in een meer christelijk vriendelijke verwoording, hebben we massaal last van vlinders. In christelijk Nederland leidt dit elk jaar wel ergens tot de bikini-vraag: hoe behoren christelijke meisjes en vrouwen zich te kleden om de arme mannen in hun omgeving niet zo in verleiding te brengen? Het mag duidelijk wezen: de mannen zijn de proactieve bijen die het gewoon niet kunnen helpen dat bloempjes bestuiven hun aard is, de vrouwen zijn passieve bloemen, die hun schoonheid niet zo tentoon moeten stellen, om de Scheppers bedoeling – één bijtje voor altijd met één bloempje en dat pas na het huwelijk – in goede banen te leiden.

 

Deze logica is echter niet uitsluitend te vinden binnen de taboegevoelige christelijke kant. De jaarlijkse rokjesdag waarbij alle mannelijke bijtjes opgewonden zoemen over het vrouwelijke schoon – en het feit dat er geen jaarlijkse topless-mannen-dag is – laat dit maar al te goed zien. Onze cultuur, binnen en buiten de christelijke kringen, kent een diep ongemak met de vrouw die seksueel vrij is voor haarzelf en niet alleen seksueel is voor anderen. We gaan er gemeenschappelijk vanuit dat vrouwen een seksuele aantrekkingskracht hebben op mannen – een groot deel van onze economie is hier zelfs op gebouwd. Maar de vrouw die zelf geniet van haar seksualiteit… Die vinden we moeilijker om te plaatsen en geven we dus vaak een negatief label, zoals ‘slet’. Of, in christelijke context, benoemen en bespreken we het hele onderwerp vrouwelijke seksualiteit niet, waardoor er een klimaat van schaamte ontstaat.

Neem bijvoorbeeld vrouwelijke masturbatie –  twee woorden die gegarandeerd een ongemakkelijke stilte veroorzaken. Twee jaar geleden schreef Alain Verheij in zijn artikel ‘Masturberen, mag dat wel van God?’ over de beknellende schaamte die hij als jonge tiener ervoer rondom masturbatie.

Hij beargumenteerde dat de ervaring van “verslaving” voorkomt uit die schaamte: ‘Hup jongens, trek je eens wat minder aan en meer af, maar trek in ieder geval die angst uit!’

Jongens masturberen nou eenmaal, zo was in zijn stuk door te klinken, en dit is normaal. Maar waar zijn de vrouwen? Hetzelfde mannelijke verhaaltje duikt hier weer op: de natuurlijke seksueel actieve man versus de natuurlijke seksueel aantrekkelijke vrouw. Ook binnen de media en filmindustrie die seks totaal niet schuwt, zoals de American Pie-films, is dit de lens waardoor masturbatie bekeken wordt, zoals Megan Tomei onderzocht heeft. Grappen over mannelijke masturbatie zijn hierin de gewoonste zaak van de wereld, maar vrouwelijke masturbatie is ofwel positief als het seksueel is voor de man, ofwel seksueel raar en een teken van onaantrekkelijkheid en wanhoop. Waar komt deze dubbele standaard vandaan?

 

Seksualiteit is een van de grootste wonderen en krachtigste instrumenten die we op ons levenspad meekrijgen, stelt Maitreyi Piontek. Alleen ontbreekt helaas de gebruiksaanwijzing, waardoor onze omgang met seksualiteit iets onbeholpens heeft. Vrouwen volgen vaak het beeld na dat mannen hebben van seksualiteit, waardoor vrouwelijke kwaliteiten als liefde, spiritualiteit, stilte, verdieping en heling onderbelicht zijn geraakt. In haar boek wil Piontek de knowhow aanbieden waarmee vrouwen hun eigen onafhankelijke levenskracht kunnen ontwikkelen door de vrouwelijke weg te bewandelen, waarbij seksualiteit en spiritualiteit hand in hand gaan.

 

 

Ironisch genoeg begon het christelijke verhaal van de immoraliteit van masturbatie juist met een omgedraaide dubbele standaard. Ondanks de Bijbelse teksten en argumenten tegen masturbatie, zoals Gen. 38:9-10 en Lev. 15:16-17, werd mannelijke masturbatie pas vanaf de 6e eeuw expliciet besproken als een belangrijke zonde voor monniken. Deze Bijbelteksten over het ‘verspillen van zaad’ werden in die tijd begrepen binnen Aristoteles’ idee van conceptie waarbij elke zaadcel een perfect mensje was. Vrouwen waren namelijk de fysiologische passieve en onderontwikkelde vorm van mannen. De zonde van masturbatie en homoseksualiteit delen hierin hetzelfde beginpunt, namelijk dat het ‘verspillen van zaad’ gelijkstaat aan moord. Vrouwen hadden echter geen zaad en dus was vrouwelijke masturbatie nooit echt een ding. Sterker nog, tot de 19e eeuw was het zelfs gebruikelijk binnen vooral de Katholieke context (in elk geval in Engeland en Amerika) dat vrouwelijke zelfbevrediging aangeraden werd als medische behandelingsmethode. Er werd zelfs gedacht dat masturbatie vrouwen kuiser maakten, omdat ze als het zwakkere, meer impuls-geleide soort, zo de spanning konden kwijtraken die anders tot onzedelijk gedrag zou kunnen leiden.

Volgens Thomas Laqueur, die hét geschiedkundige boek over de immoraliteit van masturbatie geschreven heeft (Solitary Sex: A Cultural History of Masturbation) is ons huidige beeld van masturbatie terug te leiden tot de 18e eeuw.

Toen “ontdekte” een dokter en auteur van ‘softcore medische pornografie’, een bloeiend genre in die tijd, masturbatie bij mannen én vrouwen en schreef hij hier gruwelijke fysieke gevolgen aan toe. Na deze kleine publicatie, die een commercieel succes was, groeide het idee van een product uit de medische erotiek uit tot een cultureel gegeven. Zelfs de grote verlichtingsdenkers zagen in masturbatie een groot kwaad, niet vanuit een religieus perspectief, maar vanuit de onnatuurlijke, solitaire en dus oncontroleerbare aard van de daad. Voltaire beschrijft het als ‘perverse zelfliefde’ en Kant als iets dat onnatuurlijker en dus immoreler is dan zelfmoord.

Ironisch genoeg was de culturele hype en schrik rondom masturbatie tussen 1750 en 1960 een belangrijk moment voor feminisme. Ook al werden vrouwen negatief afgeschilderd, ze werden in elk geval hetzelfde behandeld als de mannen. Masturbatie was zo, bizar genoeg, de eerste demografische zonde, zoals Laqueur beargumenteerde, en een stap in vrijheid voor vrouwen. In Groot-Brittannië vormden het  culturele probleem van masturbatie en de anti-masturbatiecampagnes – geleid door vrouwen – de achtergrond van de eerste feministische revolutie. Het leidde ook tot de eerste discussies over hoe vrouwelijke seksuele vrijheid eruit kon zien. Dit werd voortgezet door de derde feministische golf van de jaren ’60, waarin vrouwelijke masturbatie veroverd werd als een rebellerende daad tegen de vrouwelijke (seksuele) onderdrukking. Deze ontwikkeling ging echter hand in hand met de seksuele revolutie en de snelgroeiende erotica en pornografie economie die daaruit ontstond. De marketing en media wereld seksualiseerde en hierin voerde het idee van de vrouw als seksueel aantrekkelijk object, en dus “sexy” in haar passiviteit, weer hoogtij.

En zo leven we nog steeds in een cultuur met sletvrees en de christelijke variant daarvan: het ‘Eva-syndroom’. In een klimaat van intens diepe christelijke schaamte rondom masturbatie en seks. We kunnen het seksgerelateerde boetekleed echter uittrekken, of in elk geval goed onderzoeken, zodat we weten wat we met ons meedragen.

Openlijk praten over vrouwelijke seksualiteit is hierin niet een pleidooi voor volledige vrijheid van seksuele moraliteit,  maar voor een vrijheid van schaamte. De  gevoelsmatige onvergeeflijke zonde van (vrouwelijke) zelfbevrediging is namelijk niet ten diepste christelijk, maar cultureel. Het is deel van een groter systeem dat veel ongezonder is dan datgene wat het afkeurt. Het is tijd voor een daadwerkelijk gesprek, een dialoog over wat een gezonde manier is om op die seksuele lentekriebels te reageren, om schaamteloos naar de zaak te durven kijken.

Auteur: Katie Vlaardingerbroek

Tags:

geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *